Journalistenstipendium Süddeutsche Zeitung

Anouck Vrouwe was twee maanden gastredacteur op de redactie van de Süddeutsche Zeitung en het bijbehorende wetenschapsblad Wissen. Dit kon dankzij het Duits-Nederlands Journalistenstipendium. In 2009 verscheen het 300 pagina's dikke verslag van de uitwisseling. De conclusie van de deelnemers: Duitse media zijn degelijker, Nederlandse hebben meer oog voor hun publiek.

De bijdrage van Anouck Vrouwe aan het verslag.

Het dagelijks ritueel

Mijn dagen bij de Süddeutsche Zeitung lagen ingeklemd tussen twee dagelijks terugkerende bijeenkomsten. 's Ochtends was er redactieoverleg, waarbij de pagina voor de dag erna werd gepland. Dat kende ik van het AD, al werd er hier nauwelijks tijd besteed aan bladkritiek. Wat ik echter niet kende, was het ritueel aan het eind van de dag. Om half vijf, kwart voor vijf begon het dagelijkse 'titelen'. Alle redacteuren verzamelden zich om koppen te maken. De chef zat als een kapitein achter het toetsenbord, de rest keek over zijn schouder mee. Gezamenlijk werden koppen en onderkoppen verzonnen. Ook fotobijschriften en streamers werden aangescherpt.

Al bij dit koppen maken, werden de eerste verschillen tussen Nederlandse en Duitse journalistiek duidelijk. Als eerste viel op, dat alle berichten een kop én onderkop hebben, zelfs kortjes van 150 woorden. De eisen voor een kop zijn bij de Süddeutsche Zeitung anders dan ik ben gewend van bladen in Nederland. Een Nederlandse kop mag een beetje raadselachtig zijn: de belangrijkste functie is de nieuwsgierigheid wekken. De lead vertelt de lezer vervolgens waar het artikel over gaat. De artikelen bij de Süddeutsche Zeitung hebben geen echte lead – kop en onderkop nemen die functie over. Een Duitse kop moet daarom in de eerste plaats duidelijk en eenduidig zijn. Een spannende kop, die helaas niet in een oogopslag vertelt waar het artikel over gaat, sneuvelt. Koppen met een kwinkslag halen het zelden. Zo was de door een redacteur voorgestelde kop 'Und jetzt die Fehlervorhersage' kansloos, al paste hij in mijn ogen goed bij het artikel over onderzoek dat had aangetoond, dat fouten bij monotoon werk zich al tien seconden van te voren in de hersenen laten zien. Te ludiek.

In de kop en onderkop moeten alle belangrijke aspecten uit het artikel worden genoemd. Vooral bij kortere nieuwsberichten betekent dat, dat de kop en onderkop samen een korte samenvatting vormen van het artikel. Zo dekte de kop 'Diesel im Hirn – Abgase lösen Stress aus' exact de lading van een nieuwsbericht dat ik had geschreven. Soms werd ook de centrale vraag uit het artikel de onderkop. Zo kreeg mijn artikel over de kofferellende op Heathrow de onderkop 'Warum Tausende liegengebliebene Koffer vom Londoner Flughafen mit Lastwagen nach Italien gebracht werden'. Die constructie deed mij aan oude kinderboeken denken: hoofdstuk 6, waarin Dik Trom een kievitsei vindt en met zijn oma appeltaart bakt. In mijn ogen ouderwets, volgens de redacteuren goede service aan de lezer, die meteen weet waar het in het artikel om draait.

Het titelen werd ook erg belangrijk gevonden en mocht opvallend veel tijd kosten. Ik kwam in een drukke tijd; vaak was de pagina voor de volgende dag 's ochtends nog helemaal leeg. Vaak waren artikelen op de valreep af. Op een redactie waar zo onder tijdsdruk wordt gewerkt, verwachtte ik niet dat vijf, zes redacteuren samen bijna een half uur nadenken over de koppen. 

Ook in het Duits
In mijn eerste week kwam ik het bericht tegen, dat er in Arizona een nieuwe, grote telescoop in gebruik was genomen, waar Duitsland een groot deel van de observatietijd van had gekocht. Ik mocht er een nieuwsbericht van maken. Toen het bericht, zeker 150 woorden groot en met foto, op zaterdag in de krant stond, was ik weer net zo trots als bij mijn eerste publicatie. Ik bleek het ook in het Duits te kunnen. Dankzij een stage in Zwitserland sprak ik de taal redelijk goed, maar schrijven is toch weer wat anders. Toen ik in januari vast een keertje bij de redactie langs was gegaan om kennis te maken, bleek mijn Duits bovendien behoorlijk verroest. De talencursus hielp om me weer bij te spijkeren en gaf me ook weer het zelfvertrouwen dat ik voor de uitwisseling nodig had. Na het eerste berichtje durfde ik ook een onderwerp aan te bieden aan het tijdschrift. Het werd een driepaginaverhaal voor het juninummer van Wissen over Shared space, een in Nederland bedacht verkeersconcept dat nu ook in Duitsland wordt uitgeprobeerd. Uiteindelijk heb ik zes artikelen en vijf nieuwsberichten geschreven - meer dan ik van tevoren had durven hopen.

 

Blad en krant

Een van de redenen waarom ik naar de Süddeutsche Zeitung wilde, was het tijdschrift Wissen dat de krant iedere maand uitbrengt. Die combinatie van krant en tijdschrift kennen we in Nederland niet, en ik was benieuwd hoe deze dubbelrol er voor de wetenschapsredactie uit zou zien. In de praktijk bleken het twee duidelijk gescheiden redacties. Natuurlijk schreef een krantenredacteur wel eens een artikel voor het tijdschrift, en andersom, maar dat kwam niet zo vaak voor als ik had gedacht. Door het verschil in ritme door de verschijningsfrequentie laten beide media zich moeilijk combineren. Zelf heb ik mijn tijd vooral doorgebracht bij de krantenredactie, al heb ik wel een artikel geschreven voor het tijdschrift. Ik was verrast door de nauwkeurigheid waarmee de Wissen-redactie werkt. Mijn artikel werd door drie redacteuren gelezen, en daarna wordt het artikel nog door een laatste redacteur op feiten gecheckt. Ook was er veel aandacht voor mooi beeld.

 

Expert

Wat in de Süddeutsche Zeitung tot mijn vreugde bleek te ontbreken, zijn kortjes. Waar in Nederland vaak een hele kolom wordt verspild met berichtjes die zo beknopt zijn, dat ze meer vragen oproepen dan beantwoorden, is een nieuwsberichtje bij de Süddeutsche Zeitung minstens 150 woorden lang. Bij bijna ieder bericht wordt bovendien een expert gezocht, die het nieuws op waarde weet te schatten en in de context plaatst. In Nederland is het feit dat een onderzoek Nature heeft gehaald reden genoeg om er over te schrijven. Bij de Süddeutsche Zeitung moest ook nog een onafhankelijk expert zijn zegen geven. Dit kost natuurlijk tijd, en vaak waren het dan ook de stagiaires die dit mochten doen, maar het leverde duidelijk betere berichten op. In Nederlandse kranten mogen mensen hun onderzoek of product vaak kritiekloos promoten in krantenartikelen.

 

Onderwerpkeus

Wetenschapsjournalistiek in Duitsland verschilt in de basis weinig van wetenschapsjournalistiek in Nederland. Veel van de artikelen zouden één op één overgenomen kunnen worden. Wel valt op dat er in Duitsland meer ruimte en aandacht voor wetenschap is, ook op televisie. Ik vond bovendien dat de pagina's van de Süddeutsche Zeitung ook meer 'nieuwswaarde' uitstraalden dan de wetenschapspagina's in Nederland. Wetenschap wordt, naar mijn gevoel, in Nederland meer als entertainment gezien. Ook opvallend waren de (ethische) discussies over onderwerpen, die in Nederland nauwelijks weerstand oproepen. Het debat over stamcelonderzoek en biotechnologie worden in Duitsland veel feller gevoerd, net als de problemen rond privacy met de toenemende ICT-mogelijkheden en de nieuwe Europese dataretentiewet. Ook de klimaatverandering krijgt in Duitsland duidelijk meer aandacht.   

 

Door de weeks - zaterdag

De Süddeutsche Zeitung heeft van dinsdag tot en met zaterdag een wetenschapspagina, achter op het tweede katern. Die pagina's zien er allemaal ongeveer hetzelfde uit: een liggend openingsbeeld, een opening, een groter bijverhaal en dan nog wat nieuwsberichten. De enige rubriek op de pagina is op donderdag. Ik vroeg een van de redacteuren waarom de zaterdag er net zo uitzag als de doordeweekse pagina's. Ik kreeg een verbaasde blik en de logische tegenvraag: waarom zou hij er anders uit moeten zien?  De hele zaterdagkrant ziet er toch precies hetzelfde uit als doordeweeks? Vreemd genoeg was me dat nog niet eens opgevallen, maar het klopt.

Zelf associeer ik een zaterdagkrant met lange achtergrondartikelen – een krant die je nog wat langer bewaart als je hem in het weekend niet uit hebt gekregen. Bij de Süddeutsche Zeitung is dat anders, daar is de krant iedere dag een bewaarkrant vol achtergrondartikelen. Doordeweeks is hij zo dik, dat je hem 's ochtends bij lange na niet uit krijgt.

Er zijn wel verschillen tussen de doordeweekse en de weekendedities, maar ze zijn subtiel. Zo staan er doordeweeks altijd twee reportages op Seite Drei, de beroemde derde pagina van de krant. Op zaterdag zie je daar ook artikelen die de hele pagina beslaan. Ook op de wetenschapspagina werden grotere en betere artikelen soms tot het weekend bewaard – als ze niet dringend nodig waren om de doordeweekse pagina's vol te krijgen.

Misschien is het inderdaad beter om de vraag om te draaien - hoe kan het dat Duitse kranten doordeweeks zoveel dikker zijn dan Nederlandse? Deels heeft dat natuurlijk met geld te maken. De Süddeutsche Zeitung heeft een leger redacteuren, waar een Nederlandse hoofdredacteur van zou kwijlen. In Nederland is met het aantal redacteuren ook het aantal pagina's gekrompen. Maar ik denk ook dat het verschil met het distributiesysteem te maken heeft. In Nederland bestaat het grootste deel van de verkoop uit vaste abonnees. Mensen krijgen dagelijks de krant en daar is de hoeveelheid ook op aangepast. In Duitsland kopen de meeste mensen de krant los. Ik begreep van Duitse vrienden dat zij de Süddeutsche Zeitung niet iedere dag kopen, maar twee of drie keer per week. Met een krant kunnen ze een paar dagen vooruit – net als wij met de zaterdagkrant.

Bij mij leverde die grote hoeveelheid dagelijkse tekst leesstress op: ik kreeg de krant niet uit, terwijl ik er werkte. Hele katernen verdwenen ongezien in de papierbak. Maar toen ik dat toe durfte te geven, bleek dat mijn collega's ook lang niet alles lazen.
Voor mij zou de ideale krant een middenweg zijn: dikker dan de Nederlandse, en met meer doordeweekse achtergrondartikelen, maar niet zo dik en volgeschreven als de Süddeutsche Zeitung. Ik zie de krant namelijk ook als het medium dat voor mij een selectie maakt welk nieuws ik het zeker moet lezen. Mijn Duitse collega's waren het hier absoluut niet mee eens, zij maakten die selectie liever zelf uit het grote aanbod van hun krant.  

 

Beeld

Behalve de dagelijkse wetenschapspagina brengt de Süddeutsche Zeitung ook nog maandelijks een wetenschapstijdschrift uit. De redacties van tijdschrift en krant zitten naast elkaar in het gebouw en hebben momenteel zelfs dezelfde chef. Toch had het verschil niet groter kunnen zijn: het tijdschrift is iedere maand een lust voor het oog, terwijl het beeld op de pagina zelden spannend is. 

Bovendien is er veel minder plek ingeruimd voor beeld dan in Nederlandse kranten. Het aantal woorden op de pagina was indrukwekkend – als ik soms vroeg of er geen streamer in dat artikel van 1500 woorden had gemoeten, dan was de reactie meestal 'ach, ja, dat had misschien wel gekund'. Maar mijn collega's kregen duidelijk niet zo snel de kriebels van grote lappen grijze tekst als ik.

Grote foto's worden in Duitsland onmiddellijk met goedkoop geassocieerd: toen ik een van mijn artikel uit het FD liet zien, met een grote, vrijstaande foto, werd me gevraagd of die krant te vergelijken was met Bild. Toen ik zei dat het eerder Financial Times Deutschland was, werd ik bijna niet geloofd. Een van de stagiaires zei: ,,Het is mooi, maar zo kan een Duitse krant er gewoon niet uitzien. Daar zijn we nog niet aan toe.” Een andere collega had het altijd over 'die stripkranten van jullie', als hij het over de Nederlandse kranten had. Als ik tegenwoordig de Volkskrant open sla, vallen me meteen al die bontgekleurde streamers op.

Wat ik een gemis vond, was dat er op de pagina zelden tot nooit een infographic te zien was, terwijl wetenschap zich zo goed leent voor graphics. Een van de redacteuren maakte bij een artikel over kloneren een tijdlijn. Ik ging er automatisch vanuit dat dit een graphic zou worden, maar het bleek een kader met alleen tekst te zijn. De capaciteit van de graphicsafdeling van de krant was klein. Dat betekende dat een graphic ruim van tevoren besteld moest worden – en dat gebeurde bijna nooit.

 

Afstand

De eerste dag liep ik langs bij de chef van de wetenschapsredactie, om te zeggen dat ik er was. Hij gaf me een hand en heette me hartelijk welkom. Ik kreeg de indruk dat het gesprek daarmee ook klaar was. Ik kreeg nog beleefd antwoord op de vraag hoe de week er gewoonlijk uitzag, wanneer de vaste vergaderingen waren, maar dat was het ook. Dat is ook ongeveer het langste gesprek geweest dat ik met hem heb gevoerd. De begeleiding van de stagiaires, en van mij, lag in de handen van een van de redacteuren. Ik wist vooraf dat de afstand tussen redacteuren en chefs in Duitsland groter is dan in Nederland, maar in de praktijk viel dat me alsnog tegen. Ook was er een afstand tussen redacteuren en stagiaires. Zo gingen redacteuren en stagiaires apart lunchen. Aangezien iedereen ook zijn koffie op zijn eigen kamer dronk, was de interactie op de redactie beperkt, wat ik jammer vond. Die kamertjes vond ik een drempel, hoewel ik ook snel merkte dat niemand het een probleem vond als ik binnen kwam vallen met een concrete vraag.

Verder viel me op dat Duitsers zeer doelgericht werken. Aan small talk doen ze bijvoorbeeld niet. Toen ik bijvoorbeeld de voorlichter van het Max Planck Instituut belde voor een interviewafspraak met een van de onderzoekers, was dat snel en keurig geregeld. Maar toen ik vroeg of ik na het interview nog een kwartiertje kon langskomen om met haar te praten over welke onderwerpen nog een artikel waard zouden kunnen zijn, werd me meteen gezegd dat ze daar geen tijd voor had. Ik moest maar op de website kijken en als ik dan nog een vraag had, mocht ik bellen. Ik kan me die reactie van een Nederlandse voorlichter nauwelijks voorstellen. Die willen altijd graag 'even kennismaken' en 'er een gezicht bij zien' – ook als ze dat niet direct wat oplevert.

 

Op pad

Duitsland is groot. Dat heeft tot gevolg dat veel interviews telefonisch gaan. Dat is natuurlijk ook sneller – wanneer er 's ochtends om tien uur een onderwerp wordt bedacht voor de krant van morgen, heb je geen tijd meer om op interview te gaan. Maar ik vond dat al dat bellen ook een belangrijk deel van de charme van het vak wegnam. Een wetenschapper in zijn laboratorium is wat anders dan een wetenschapper aan de telefoon. Ik wil wetenschap graag zien, aanraken. Ik was dan ook blij dat ik voor een interview over 'Akzentfrei Deutsch' naar Dresden ben gegaan, ook al was dat vijf uur met de trein.

Wetenschapsredacties zijn altijd internationaal georiënteerd, net als wetenschappers zelf. Toch vond ik dat er weinig aandacht was voor nieuws uit eigen land. Zoals een collega het verwoordde: ,,Het overkomt ons nog best vaak dat we over interessant Amerikaans onderzoek schrijven, en dan de volgende dag worden gebeld door Duitse wetenschappers dat zij aan hetzelfde werken.” Van mij zou de redactie best wat vaker uit 'eigen tuin' mogen eten.

 

Stad en land

Op de redactie heb ik met name de Duitse wetenschapsjournalistiek leren kennen, in mijn vrije tijd heb ik vooral de stad München ontdekt. Rijk, een tikje kak, maar een mooie en prettige stad om te wonen. Over Duitsland heb ik veel bijgeleerd. Over de macht van de afzonderlijke landen bijvoorbeeld. Over de financiële problemen rond de pensioenen. Over het minimumloon, dat er tot mijn verbijstering niet is. De verhalen over het leven in het oosten. Het integratiedebat, dat er niet zo opgefokt is als bij ons. De scholen. De moeilijkheden die mensen hebben om in deeltijd te mogen werken, tegenover de mogelijkheid om drie jaar voor je kind te zorgen terwijl je baan gegarandeerd blijft. De gesprekken hierover hebben mijn kennis over Duitsland verdiept en verbreedt. Door in een ander land te wonen en te werken, zie en hoor je dingen die je als toerist ontgaan.